Art. 734/4 § 1 Ger.W. bepaalt o.m. dat alles wat gezegd of geschreven wordt in de loop van en ten behoeve van zittingen tot minnelijke schikking vertrouwelijk is (overeenkomstig art. 1728 Ger.W.).
“Alles” en “vertrouwelijk”, niet bijna alles of zo goed als vertrouwelijk: ook hier weer, hoe moeilijk kan het zijn?
Een advocaat schrijft nadien in conclusies over zijn cliënt X:
“Tijdens de zitting tot minnelijke schikking heeft X zich bereid verklaard tot substantiële toegevingen om een dading tot stand te kunnen brengen. Dat gold niet voor Y die geen toegevingen wilde doen en daardoor een minnelijke regeling totaal onmogelijk heeft
gemaakt, zodat X geen andere keuze had dan de procedure ten gronde te hervatten.”
Die tekst wekt minstens de indruk dat Y -in tegenstelling tot X- geen toegevingen heeft willen doen en zich onredelijk heeft opgesteld, en dat daardoor de redelijke partij X, in een slachtofferrol, geen andere keuze had dan verder te procederen.
Die tekst is veel meer dan alleen maar een schets van de ‘persoonlijke ervaring’ van een partij, waar deze partij -weliswaar wat verwaterd of omfloerst- de mislukking van een poging tot minnelijke schikking uiteindelijk ondubbelzinnig in de schoenen schuift van de wederpartij. Zodoende wordt de vertrouwelijkheid van de zitting / poging tot minnelijke schikking duidelijk geschonden.
Of simpel gezegd: zoals ook een beetje dood niet bestaat, bestaat een beetje vertrouwelijk evenmin.
Alain Légat
Stafhouder